Slangmontage en de juiste slanglengte bepalen

Een correct gemonteerde slang is lang genoeg om te buigen en te bewegen, maar niet zo lang dat hij kan knikken, schuren of blijven haken.

Met de juiste meetmethode, minimale rechte lengte achter de koppelingen en voldoende ruimte voor beweging voorkomt u onnodige belasting. Hieronder vindt u de rekenregels, montagerichtlijnen en lengtetoleranties uit de aangeleverde richtlijn.

Waarom slanglengte en montage samenhangen

Een slangassemblage verandert tijdens bedrijf van vorm. Druk, beweging en de positie van de koppelingen bepalen daarom hoeveel vrije lengte nodig is. Alleen de kortste afstand tussen twee aansluitpunten meten is meestal niet voldoende.

Lengteverandering onder druk

Volgens de aangeleverde montagerichtlijn kan een hogedrukslang onder druk ongeveer -4% tot +2% in lengte veranderen. Monteer de slang daarom niet strak tussen twee vaste aansluitingen.

Buigen begint niet bij de koppeling

Direct achter de koppeling moet een recht slangdeel overblijven. Daarna mag de slang geleidelijk buigen, met minimaal de buigradius die voor de gekozen slang is opgegeven.

Minimale slanglengte berekenen

Bij een U-vormige slang bestaat de minimale lengte uit twee rechte stukken B en het gebogen deel op radius R. Bij een bewegende toepassing komt daar de benodigde bewegingslengte C bij.

Statische U-vormige slangmontage met twee rechte B-maten en buigradius R
Statische situatieTwee rechte lengtes B en een halve bocht op de voorgeschreven radius R.
Dynamische U-vormige slangmontage met B-maten, buigradius R en extra bewegingslengte C
Dynamische situatieDe extra lengte C wordt over de beweging verdeeld; in de figuur is dat C/2 aan beide zijden.
Statische situatie Lmin = 2 × B + 3,14 × R

Gebruik deze formule wanneer de aansluitpunten tijdens bedrijf niet ten opzichte van elkaar bewegen.

Dynamische situatie Lmin = 2 × B + 3,14 × R + C

Voeg de extra lengte C toe wanneer de slang een beweging, bijvoorbeeld een cilinderslag, moet volgen.

Lmin
Minimale totale slanglengte.
B
Minimale rechte slanglengte tussen koppeling en begin van de bocht.
R
Minimale buigradius van de gekozen slang, gemeten over de hartlijn.
C
Extra lengte die nodig is om de beweging van de toepassing op te nemen.

Minimale B-maat per slangdoorlaat

De B-maat voorkomt dat de slang direct achter de koppeling wordt gebogen. Onderstaande waarden zijn overgenomen uit de aangeleverde montagerichtlijn.

Slangdoorlaat (NW) 6 8 10 13 16 20 25 32 40 50
B minimaal (mm) 100 110 120 130 140 150 170 200 230 260

Slanglengte correct meten en opgeven

Leg vóór het meten vast tussen welke referentiepunten de totale lengte L wordt bepaald. Het meetpunt verschilt per aansluiting: bij een rechte of gebogen koppeling kan dat het uiteinde, afdichtvlak of hartpunt van de aansluiting zijn.

Meetvoorbeeld voor een rechte slangassemblage met buitendraadaansluitingen
Rechte buitendraadaansluitingenL loopt van uiteinde tot uiteinde.
Meetvoorbeeld voor een rechte slangassemblage met verschillende rechte aansluitingen
Verschillende rechte aansluitingenGebruik de aangegeven aansluitvlakken als referentie.
Meetvoorbeeld voor een rechte slangassemblage met wartelaansluitingen
Rechte wartelaansluitingenL ligt tussen de aangegeven kopse referentievlakken.
Meetvoorbeeld voor een slangassemblage met twee haakse koppelingen
Twee haakse koppelingenBepaal L tussen de aangegeven verticale referentielijnen.
Meetvoorbeeld voor een slangassemblage met twee schuine koppelingen
Twee schuine koppelingenMeet L tussen de geprojecteerde referentielijnen.
  1. Bepaal de referentiepunten. Noteer per slanguiteinde vanaf welk meetvlak de lengte wordt opgegeven.
  2. Meet de totale lengte L. Meet de assemblage in de bedoelde montagevorm en forceer de slang niet recht wanneer deze gebogen wordt ingebouwd.
  3. Controleer B en R. Houd achter elke koppeling minimaal de voorgeschreven rechte lengte B aan en controleer de minimale buigradius van de slang.
  4. Voeg bewegingslengte C toe. Bepaal bij een dynamische toepassing hoeveel extra lengte nodig is over de volledige slag of beweging.
  5. Leg de stand van bochtkoppelingen vast. Geef bij twee gebogen koppelingen ook de onderlinge verdraaiingshoek op.
Praktisch besteladvies: vermeld niet alleen “lengte 1500 mm”, maar ook de slangmaat, beide aansluitingen, de meetreferenties en de verdraaiingshoek. Zo is duidelijk welke totale maat en stand bedoeld zijn.

Lengtetoleranties voor gemonteerde slangen

De aangeleverde richtlijn noemt onderstaande toleranties voor compleet gemonteerde slangen volgens DIN 20066. De tolerantie is asymmetrisch: de toegestane plus- en minafwijking zijn niet gelijk.

Nominale lengte L (mm) NW 6 t/m NW 25 NW 32 t/m NW 50
Tot 630 +7 mm / -3 mm +12 mm / -4 mm
630 t/m 1250 +12 mm / -4 mm +20 mm / -6 mm
1250 t/m 2500 +20 mm / -6 mm +25 mm / -6 mm
2500 t/m 8000 +1,5% / -0,5% +1,5% / -0,5%
Boven 8000 +3% / -1% +3% / -1%

Controleer bij bestelling altijd of voor de gekozen slang-koppelingcombinatie, toepassing of klantafspraak aanvullende toleranties gelden. De productspecificatie en overeengekomen ordergegevens zijn leidend.

Belangrijke regels bij het monteren van hogedrukslangen

  1. Monteer niet onder trekspanning. Houd rekening met de mogelijke lengteverandering van circa -4% tot +2% onder druk.
  2. Voorkom torsie. Een slang mag niet om zijn lengteas gedraaid worden gemonteerd. Lijn de koppelingen uit voordat u ze vastzet.
  3. Respecteer de minimale buigradius. Een te scherpe bocht kan de slang knikken en de versterkingslagen extra belasten.
  4. Gebruik zo nodig een 45°- of 90°-koppeling. Daarmee kan de slangroute eerder en geleidelijker van richting veranderen.
  5. Bescherm tegen beschadiging. Voorkom schuren tegen machineonderdelen en pas waar nodig slangbescherming of een knikspiraal toe.
  6. Geef bewegende delen voldoende lengte. Controleer de slangroute over de volledige beweging, bijvoorbeeld de complete slag van een cilinder.
Foute slangmontage met een geforceerde S-bocht
Een geforceerde S-bocht belast de slang en de aansluitingen.
Goede slangmontage waarbij de aansluitrichting de slangroute volgt
Laat de aansluitrichting de natuurlijke slangroute volgen.
Foute slangmontage met een ongunstige ruime lus
Vermijd een onnodige lus en een onrustige slangroute.
Goede slangmontage met passende bochtkoppelingen
Passende bochtkoppelingen geven een rustige, directe route.
Foute U-vormige slangmontage met onvoldoende vrije lengte
Te weinig vrije lengte maakt de bocht vlak en belast de uiteinden.
Goede U-vormige slangmontage met voldoende vrije lengte
Voldoende vrije lengte geeft een gelijkmatige U-bocht.
Foute strak gespannen slangmontage
Monteer de slang niet strak tussen twee vaste punten.
Goede slangmontage met vrije lengte voor drukverandering
Laat vrije lengte over voor de verandering onder druk.
Foute slangmontage met een scherpe S-vormige route
Een scherpe S-route veroorzaakt plaatselijke buigbelasting.
Goede U-vormige slangroute met haakse koppelingen
Gebruik zo nodig haakse koppelingen voor een geleidelijke U-route.
Foute slangmontage met een overmatige lus
Een overmatige lus kan bewegen, schuren of blijven haken.
Goede U-vormige slangmontage met minimaal tweemaal de buigradius
Houd bij deze route minimaal 2 R tussen de aansluitpunten aan.

Verdraaiingshoek van bochtkoppelingen bepalen

Bij een slang met aan beide zijden een bochtkoppeling moet ook de onderlinge stand worden vastgelegd. Gebruik één koppeling als vast referentiepunt.

1. Leg de achterste bocht op 0°

Leg de slang zo neer dat de achterste bocht recht omhoog wijst. Deze aansluiting vormt het vaste referentiepunt van 0°.

2. Meet de voorste bocht met de klok mee

Geef voor de voorste bocht het gewenste aantal graden op, gezien vanaf het referentie-uiteinde en gemeten met de klok mee.

Bochtkoppelingen met een verdraaiingshoek van 0 graden
Bochtkoppelingen met een verdraaiingshoek van 90 graden
90°
Bochtkoppelingen met een verdraaiingshoek van 180 graden
180°
Bochtkoppelingen met een verdraaiingshoek van 270 graden
270°
Voorbeeld uit de aangeleverde richtlijn: twee 90°-bochtkoppelingen waarvan de voorste koppeling tegenover de achterste staat, worden als 180° verdraaid opgegeven.

Gegevens voor een complete slangopgave

Leg voor een nieuwe of vervangende slangassemblage minimaal de volgende gegevens vast:

  • slangtype en nominale doorlaat (NW);
  • totale lengte L en de gebruikte meetreferenties;
  • aansluiting en maat aan beide zijden;
  • recht, 45° of 90° per koppeling;
  • verdraaiingshoek tussen gebogen koppelingen;
  • minimale buigradius van de gekozen slang;
  • statische of dynamische toepassing;
  • extra bewegingslengte C;
  • werkdruk, drukpieken en temperatuur;
  • medium en relevante omgevingsinvloeden;
  • benodigde bescherming tegen schuren of knikken.

Veelgestelde vragen over slanglengte en montage

Is de kortst mogelijke slang altijd de beste keuze?

Nee. Een te korte slang komt onder trekspanning te staan en buigt vaak direct achter de koppeling. Kies voldoende lengte voor het rechte deel B, de minimale buigradius en eventuele beweging.

Hoeveel extra lengte C is nodig bij beweging?

Dat hangt af van de slag, de richting van de beweging en de gekozen slangroute. Controleer de gehele bewegingscyclus en bepaal C zo dat de slang nergens strak trekt, knikt, klemt of schuurt.

Waarom mag een slang niet direct achter de koppeling buigen?

De overgang tussen koppeling en slang is niet bedoeld als buigpunt. Een recht deel B ontlast deze overgang en voorkomt een te kleine lokale buigradius.

Hoe geef ik twee bochtkoppelingen ten opzichte van elkaar op?

Zet de achterste koppeling op 0° en geef de stand van de voorste koppeling in graden op, gemeten met de klok mee vanaf het afgesproken referentie-uiteinde.

Slang en koppelingen voor uw toepassing selecteren

Controleer naast de montage ook werkdruk, temperatuur, medium, doorlaat en de complete slang-koppelingcombinatie. Bij twijfel kan Leeuwtechniek helpen om de slangopgave te beoordelen.