Lengteverandering onder druk
Volgens de aangeleverde montagerichtlijn kan een hogedrukslang onder druk ongeveer -4% tot +2% in lengte veranderen. Monteer de slang daarom niet strak tussen twee vaste aansluitingen.
Een correct gemonteerde slang is lang genoeg om te buigen en te bewegen, maar niet zo lang dat hij kan knikken, schuren of blijven haken.
Met de juiste meetmethode, minimale rechte lengte achter de koppelingen en voldoende ruimte voor beweging voorkomt u onnodige belasting. Hieronder vindt u de rekenregels, montagerichtlijnen en lengtetoleranties uit de aangeleverde richtlijn.
Een slangassemblage verandert tijdens bedrijf van vorm. Druk, beweging en de positie van de koppelingen bepalen daarom hoeveel vrije lengte nodig is. Alleen de kortste afstand tussen twee aansluitpunten meten is meestal niet voldoende.
Volgens de aangeleverde montagerichtlijn kan een hogedrukslang onder druk ongeveer -4% tot +2% in lengte veranderen. Monteer de slang daarom niet strak tussen twee vaste aansluitingen.
Direct achter de koppeling moet een recht slangdeel overblijven. Daarna mag de slang geleidelijk buigen, met minimaal de buigradius die voor de gekozen slang is opgegeven.
Bij een U-vormige slang bestaat de minimale lengte uit twee rechte stukken B en het gebogen deel op radius R. Bij een bewegende toepassing komt daar de benodigde bewegingslengte C bij.
Gebruik deze formule wanneer de aansluitpunten tijdens bedrijf niet ten opzichte van elkaar bewegen.
Voeg de extra lengte C toe wanneer de slang een beweging, bijvoorbeeld een cilinderslag, moet volgen.
De B-maat voorkomt dat de slang direct achter de koppeling wordt gebogen. Onderstaande waarden zijn overgenomen uit de aangeleverde montagerichtlijn.
| Slangdoorlaat (NW) | 6 | 8 | 10 | 13 | 16 | 20 | 25 | 32 | 40 | 50 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| B minimaal (mm) | 100 | 110 | 120 | 130 | 140 | 150 | 170 | 200 | 230 | 260 |
Leg vóór het meten vast tussen welke referentiepunten de totale lengte L wordt bepaald. Het meetpunt verschilt per aansluiting: bij een rechte of gebogen koppeling kan dat het uiteinde, afdichtvlak of hartpunt van de aansluiting zijn.
De aangeleverde richtlijn noemt onderstaande toleranties voor compleet gemonteerde slangen volgens DIN 20066. De tolerantie is asymmetrisch: de toegestane plus- en minafwijking zijn niet gelijk.
| Nominale lengte L (mm) | NW 6 t/m NW 25 | NW 32 t/m NW 50 |
|---|---|---|
| Tot 630 | +7 mm / -3 mm | +12 mm / -4 mm |
| 630 t/m 1250 | +12 mm / -4 mm | +20 mm / -6 mm |
| 1250 t/m 2500 | +20 mm / -6 mm | +25 mm / -6 mm |
| 2500 t/m 8000 | +1,5% / -0,5% | +1,5% / -0,5% |
| Boven 8000 | +3% / -1% | +3% / -1% |
Controleer bij bestelling altijd of voor de gekozen slang-koppelingcombinatie, toepassing of klantafspraak aanvullende toleranties gelden. De productspecificatie en overeengekomen ordergegevens zijn leidend.
Bij een slang met aan beide zijden een bochtkoppeling moet ook de onderlinge stand worden vastgelegd. Gebruik één koppeling als vast referentiepunt.
Leg de slang zo neer dat de achterste bocht recht omhoog wijst. Deze aansluiting vormt het vaste referentiepunt van 0°.
Geef voor de voorste bocht het gewenste aantal graden op, gezien vanaf het referentie-uiteinde en gemeten met de klok mee.
Leg voor een nieuwe of vervangende slangassemblage minimaal de volgende gegevens vast:
Nee. Een te korte slang komt onder trekspanning te staan en buigt vaak direct achter de koppeling. Kies voldoende lengte voor het rechte deel B, de minimale buigradius en eventuele beweging.
Dat hangt af van de slag, de richting van de beweging en de gekozen slangroute. Controleer de gehele bewegingscyclus en bepaal C zo dat de slang nergens strak trekt, knikt, klemt of schuurt.
De overgang tussen koppeling en slang is niet bedoeld als buigpunt. Een recht deel B ontlast deze overgang en voorkomt een te kleine lokale buigradius.
Zet de achterste koppeling op 0° en geef de stand van de voorste koppeling in graden op, gemeten met de klok mee vanaf het afgesproken referentie-uiteinde.
Controleer naast de montage ook werkdruk, temperatuur, medium, doorlaat en de complete slang-koppelingcombinatie. Bij twijfel kan Leeuwtechniek helpen om de slangopgave te beoordelen.